`Wie het UCK betaalde is schuldig'

Door Peter de Knegt
Imilj/Pristina


In het zicht van Pristina is Mario Stanacic gestrand. De rode tractor met daarachter een met huisraad afgeladen aanhanger heeft het begeven. Een oude vrouw hangt over het stuurwiel van de piepkleine cabine. Holle ogen in het gegroefde gelaat. Achter haar stoel steekt een schilderijtje uit de inboedel: een onbeholpen uitgebeeld heuvellandschapje met witgepleisterde huisjes als suikerklontjes in het groen. Een uitsnede van Prizren in `vredestijd'. De straat glimt van de regen.
,,Nooit heb ik iemand wat aangedaan. Ik leefde met de Albanezen als buren, als vrienden. Niemand deed elkaar kwaad. We leefden ons leven totdat de UCK alles kwam verpesten. Ze zetten de Albanezen tegen ons op, verspreidden haat. Daarom moest Milosevic ingrijpen.'' Mario Stanacitch is kapot. ,,Ik heb van mijn leven nog nooit iemand kwaad gedaan. Ga naar Prizren en vraag wie je wilt hoe ik met mijn vader en moeder leefde.''
De kleine schriele vader staat er schokschouderend bij. Onder zijn pet rollen tranen, zijn overhemd is in de haast voor de vlucht scheef dichtgeknoopt, de rits staat open in de bruine pantalon. Hij heft de handen in de lucht. ,,Waar moeten we naar toe? Wat hebben we misdaan?'' De man grijpt zich aan de verslaggever vast. Zijn ogen smeken. Een onbedaarlijke huilbui wordt bestraffend door de zoon in een handdoek gesmoord. ,,God moet ons helpen.Nu zijn wij de vluchtelingen.'' Vanuit de hoofdstad klinkt geweervuur. Op de weg zoekt in het invallende duister een onafgebroken stroom Servische Kosovaren de weg naar het noorden. Uitgejouwd door de bevrijde Albanezen. Met zijn tienduizenden zijn ze op weg naar niet bestaande Servische vluchtelingenkampen. De Servische commandant Stojanovic ziet het op een kruising op de hoofdweg van Blace naar Pristina gelaten aan. Hij is sinds drie maanden met zijn peloton in Kosovo gelegerd. Met tegenzin gaat hij terug naar zijn kazerne in het Servische Kralivo. ,,Ik ben teleurgesteld in Slobodan Milosevic. Hij had zich niet bij dit NAVO-akkoord moeten neerleggen. We zijn hier gekomen omdat we medelijden hadden met de Kosovaren die vreselijke problemen hadden met de UCK-guerrilla's. We moesten wel optreden.''
De commandant geeft toe dat het leger vooral in de omgeving van Prizrin dorpen etnisch heeft gezuiverd. ,,Maar dat was alleen op die plaatsen waar het UCK zich had georganiseerd en de Servische Kosovaren bedreigde. Nu gebeurt het omgekeerde. Wat een wereld.''
Het huiskeffertje van de Servische familie Krstic in Imilj, aan de weg naar Prizren, zwelgt in de onverwachte aandacht. Stoelen worden aangeschoven in de binnentuin, koffie uitgeschonken. ,,We zijn bang, heel bang, maar te oud om te vluchten. Hier zullen we sterven.'' Slavka (70) en Sfarim (74) Krstic hebben heel hun leven in het dorpje gewoond. ,,Albanezen samen met Serviërs. Vrienden, trouwerijen. Ze hadden het goed, net als wij. Benzinestations, winkels. Natuurlijk is de een niet slechter dan de ander. Het gaat altijd maar om een paar mensen die problemen maken. Zelfs tijdens deze oorlog zijn we hier bij elkaar gebleven en hebben elkaar gesteund. De politie was netjes, de militairen gedroegen zich goed. Alleen de reservisten maakten problemen. Sommigen zijn zelfs door de rechtbank in Belgrado voor die misdragingen veroordeeld.''
Terwijl de ouderen achterbleven, verlieten de jongeren het dorp om zich aan te sluiten bij het UCK of een veilig plekje te zoeken in een Macedonisch kamp, aldus de familie. De afgelopen dagen zijn er boven het dorp door vliegtuigen papiertjes uitgestrooid met waarschuwingen aan de Serviërs, aldus buurman Bosko Stakic (60). ,,Op de officiële NAVO-papiertjes staat dat de wereld de Joegoslavische militairen in de gaten houdt en dat oorlogscriminelen voor het Haagse tribunaal worden gesleept. De UCK-tekst is echt erg. Zij schrijven dat als wij Serviërs onze hoofden op de romp willen houden, we snel moeten oprotten uit Kosovo.''
Stakic kent een duidelijk staaltje UCK-propaganda. ,,Een week voor de NAVO-bombardementen begonnen, stond ik in mijn tuintje voor het huis. Er kwam een Albanese televisieploeg langs die ook opnames maakte van mij. De volgende dag kwamen Albanese buren naar mij toe en vertelden dat een verslaggever op de Albanese televisie had verteld dat Bosko Stakic huizen in brand had gestoken, daarbij toonden ze de gemaakte opnames. We waren geschokt.''
De vrouw vouwt haar handen in de schoot. ,,We weten niet wie schuld heeft aan dit alles, maar ik weet wel dat er veel onschuldige doden zijn en veel moeders in zwarte jurken. Hier lijden de gewone mensen. Nu is Kosovo niet weggegeven, maar met heel veel bloed verkocht. De politiek is schuldig; degenen die het UCK hebben betaald, wie dat ook zijn, die hebben de ellende veroorzaakt. Zestig jaar was hier vrede, toen kwamen die rebellen van het UCK. Ze waren ook slecht voor de eigen Albanezen die hun zonen niet wilden afgeven aan het UCK. Ze liegen tegen hen, beloven de zoons generaalsposten, maar laten de jongens sterven in de bergen.''


Dorp huilt om macabere dodenstraat

Door Peter de Knegt
Kacanik


De omgewoelde lichtbruine zandberg vormt een reusachtige molshoop achterin de verder overwoekerde begraafplaats in het dorpje Kacanik aan de hoofdweg naar Pristina. Het eerst ontdekte massagraf in Kosovo, net 15 kilometer verwijderd van de Macedonische grens bij Blace. Ruim twee maanden lang trokken honderdduizenden Kosovaren langs dit kerkhof. Onder de vier bij anderhalve meter verse aarde liggen volgens dorpelingen zo'n 25 Albanezen. Tientallen anderen zouden `cosmetisch' zijn herbegraven naast de berg zand, om bewijzen van een slachting te verdoezelen. De Serviërs hebben de klus niet afgemaakt. Eenvoudige paaltjes met nummers en recente data markeren de rij graven. Een macabere dodenstraat. Volgens een militaire bron werd het bestaan van het graf ontdekt toen Britse soldaten etnische Albanezen bloemen op de plaatselijke begraafplaats zagen leggen.
,,Onschuldige vrouwen, kinderen en mannen. Vermoord op 20 april door Servische para-militairen. Beestachtig afgemaakt'', zegt de 77-jarige Shaban Enim Bela. Volgens andere berichten werd de slachting op 8 en 9 april aangericht. Hoe dan ook, de bejaarde Albanees bleef in leven en had later nog steeds een engeltje op zijn schouder. ,,Drie weken geleden gebeurde het opnieuw. Ze vernietigden alles. Zeker 118 dorpsgenoten zijn toen vermoord en verderop tegen de berghelling in een massagraf gedumpt.'' De slachtoffers zijn mannen, vrouwen en kinderen, onder wie een baby van drie maanden oud. Volgens de inwoners werden ze of doodgeknuppeld met geweren of gedood door handgranaten. De gewonden werden afgemaakt met een kogel door het hoofd.
De oude man wijst naar de groene heuvels waar hij tussen verspreid liggende huizen zijn gruwelijke gelijk weet. De uit de bergen teruggekeerde dorpelingen wenen bij het verroeste hek waar twee Amerikaanse soldaten de wacht houden. ,,Trots, trots, trots.'' roepen ze als dankbetuiging aan hun gedode familieleden, vrienden en buren.
Maandenlang hebben ze zich voor de Serviërs in de bossen verstopt. Nu dalen ze in de berg af en druppelen het dorp binnen.......
lees meer ››
‹‹ terug naar het overzicht